Denken volgens Kant
Ik kan beweren dat de begrippen afstand en tijd niet in werkelijkheid bestaan, maar anderen kunnen eenvoudig beweren dat dit wel zo is. Om een welles-nietes-discussie te voorkomen moet ik mijn bewering daarom eerst ‘waterdicht’ onderbouwen. Ik heb nogal wat pogingen gedaan om dat in essays te formuleren, maar de manier die Immanuel Kant (1724-1804) hanteert is nog steeds de meest overtuigende. Hij gebruikt in zijn werk echter een filosofisch jargon, gecombineerd met enorme formuleringen, die zijn werk praktisch onleesbaar maakt en dat zorgde ervoor dat hij toen door vakgenoten niet werd begrepen, vandaar ook dat hij in de 2e druk van zijn KRITIK DER REINEN VERNUNFT veel wijzigingen en toelichtingen opgenomen heeft die zijn uiteenzettingen duidelijker maakten. Door de Nederlandse vertaling in digitale vorm kon ik eenvoudig naar teksten zoeken, teksten markeren en notities maken waardoor ik zijn uiteenzettingen uiteindelijk begreep en in mijn bevindingen kon toepassen. Nu is het de kunst om alles in redelijk begrijpelijke taal te formuleren.
De begrippen afstand en tijd zijn zo stevig in ons denken verankerd dat wij denken dat afstand en tijd ook in onze werkelijkheid bestaan. Kant beweerde tweeënhalve eeuw geleden al dat het begrip tijd in werkelijkheid niet bestaat en dat heeft hij in zijn kritik uitgebreid onderbouwd. Maar om dat te begrijpen gaat er wel eerst een uitleg van de werking van het menselijke verstand aan vooraf, want het gaat hier hoofdzakelijk om ideeën, en die bevinden zich tussen onze oren. Over hoe dit werkt gaat het volgende.
Waarnemen en oordelen
Wij hebben zintuigen waarmee we waarnemen; waarmee ons verstand contact heeft met onze werkelijkheid, met onze wereld. Mijn zintuigen produceren verschijningen, aanschouwingen die mijn voorstellingsvermogen prikkelen en die vervolgens worden omgezet in ‘gewaarwordingen’. Bijvoorbeeld: als ik een warm broodje eet, dan zie, ruik, voel, proef ik het broodje, maar ik hoor ook het kraken van de krokante korst door mijn hoofd rondgaan. Mijn zintuigen geven mij een totale gewaarwording van het eten van het broodje. Als ik me dit nu voorstel loopt het water me in de mond, ook al eet ik nu geen lekker warm, krokant broodje. Deze voorstelling is een idee; iets dat alleen in mijn verstand bestaat en dat ik kan oproepen wanneer ik dat wil. Ik weet dat zo’n broodje lekker is, Kant noemt dit van tevoren weten a priori. Tegenover a priori weten staat kennis a posteriori, empirische kennis die door ervaring, dus achteraf wordt opgedaan. Voorbeeld: ik voel met mijn hand aan de motorkap van de auto en constateer dat hij heet is; dat is kennis a posteriori. Kant gebruikt de termen a priori en a posteriori heel vaak om aan te geven waar kennis vandaan komt.
Dat ik in gedachten het broodje kan oproepen wil niet zeggen dat wat ik denk in werkelijkheid bestaat.
Dit voorbeeld is uitstekend om aan te geven hoe ons voorstellingsvermogen werkt. Kant heeft dat verder uitgewerkt.
Als ik iets waarneem dan vorm ik daarover een oordeel, bijvoorbeeld: die bal is rond.
Kant hanteert bij elk oordeel twee belangrijke termen uit de taalkunde: ‘die bal’ is het subject (het onderwerp) en ‘is rond’ is het predicaat (het gezegde). Een oordeel bestaat dus uit een subject en een predicaat.
In de zin ‘deze fabrikant van mosterd is hofleverancier’ is ‘deze fabrikant van mosterd’ het subject en ‘is hofleverancier’ is het predicaat.
Een predicaat zegt iets over het subject. Als een predicaat iets van het subject op zich verklaart, bijvoorbeeld ‘is rond’ of ‘is van metaal’, dan noemt Kant dit oordeel analytisch. Analyse is ‘uiteenrafelen’. Als ik de bal onderzoek, dan kan ik uitvinden of het analytische oordeel klopt.
Als een predicaat iets toevoegt aan het subject dat niets met het subject op zich te maken heeft, bijvoorbeeld ‘is ooit door Johan Cruijff beroerd’, dan noemt Kant dit een synthetisch oordeel. Synthese is ‘samenstelling’. Als ik de bal onderzoek, dan kan ik met geen mogelijkheid uitvinden of hij door Johan Cruijff is aangeraakt, ik kan dus niet aan de bal zelf door onderzoek controleren of het synthetische oordeel klopt.
Er zijn dus twee soorten oordelen, analytische en synthetische oordelen. Het kost redelijk wat moeite om analytische oordelen te vormen over in werkelijkheid bestaande objecten, het is echter vele malen gemakkelijker om over dezelfde objecten synthetische oordelen te bedenken.
Synthetische oordelen kunnen zelfs op niet bestaande objecten worden toegepast, bijvoorbeeld: wat zal een broodje als dat van gisteren lekker zijn! Ik stel me dus in gedachten een broodje voor en heb daarover een synthetisch oordeel.
Dit is een vorm van zintuiglijkheid die alleen in mijn verstand plaatsvindt; ik kan het broodje in gedachten proeven; het water loopt me nog in de mond.
Kant noemt dit transcendentaal; alle kennis die zich niet zozeer met objecten, maar met onze kennis van objecten bezighoudt. Op deze manier worden de wetenschappen vormgegeven. Wetenschappen kunnen dus volledig bestaan uit oordelen over zaken die alleen in ons verstand kunnen bestaan, de theologie is zo’n wetenschap en met name de wiskunde is een volledig transcendentale wetenschap.
Zo kunnen cijfers en symbolen wel in werkelijkheid bestaan, maar getallen en hoeveelheden niet; die bestaan alleen in ons verstand; ze kunnen alleen worden ‘gedacht’.
Dit laatste is voor veel mensen al moeilijk te begrijpen, dus even een voorbeeld: ik kan aan appels zelf niet zien hoeveel het er zijn, maar in gedachten kan ik bij een schaal met appels wel een aantal bedenken. De appels zelf, hoe goed ik ze ook onderzoek, bezitten niet de eigenschappen waarmee ze kunnen weergeven dat ze onderdeel van mijn bedachte aantal uitmaken. Aantallen zijn dus transcendentale begrippen. Rekenen met die aantallen is een zuiver transcendentale bezigheid.
Wetenschappen die niet zuiver transcendentaal zijn heten empirische wetenschappen, dat zijn de wetenschappen die gebaseerd zijn op ervaring, waarneming en proefondervindelijke uitkomsten. De scheikunde is zo’n wetenschap en de geneeskunde en biologie. Volgens Wikipedia valt de natuurkunde ook onder de empirische wetenschappen, maar aangezien de natuurkunde veel theorieën bezigt en pogingen doet dat met experimenten ‘empirisch’ waar te nemen blijft het grotendeels een transcendentale wetenschap, vandaar dat de theoretische natuurkunde een aparte tak van de natuurkunde is geworden. Wat ik op school aan natuurkunde kreeg was empirische natuurkunde.
Dwaling
Dat een wetenschap volledig uit ideeën bestaat, dus zich geheel in het transcendentale bevindt, wil zeggen dat de betreffende wetenschap niet op de werkelijkheid betrekking heeft en toch ontstaan daar de problemen. Kant is uitgebreid op deze problemen ingegaan in het hoofdstuk genaamd De transcendentale schijn. Waarheid en dwaling, maar ook de verleiding tot dwaling, vormen wij in onze oordelen en niet in onze zintuiglijke waarneming. Onze waarneming kan wel juist zijn, maar de oordelen die daaraan verbonden worden kunnen de plank volledig misslaan en tot misverstanden en dwaling leiden. Door waarnemingen kan volgens Kant een schijn worden opgehouden waardoor het oordeelsvermogen misleid wordt onder invloed van onze fantasie, onze verbeelding. De kunst is om deze schijn te herkennen en bloot te leggen.
Kant noemt dat ‘de [..] grondbeginselen van het zuivere verstand’.
Ik noemde in mijn eerdere schrijven twee theorieën over het ontstaan van alles, die van de oerknal en die van Ussher. Beide theorieën zijn volledig transcendentaal en daarom kan ik niet stellen dat de ene meer waar is dan de ander.
Waarheid is bij nader inzien ook een idee en onderdeel van synthetisch oordelen; in de zin ‘deze theorie is waar’ voegt het predicaat ‘is waar’ iets toe aan het subject ‘deze theorie’; het oordeel is synthetisch omdat het predicaat iets toevoegt aan een in dit geval transcendentaal subject. Zowel het oordeel (de aanspraak op waarheid) als de theorie bestaan alleen in het verstand.
Het wordt duidelijk in de bewering: kaboutertjes bestaan, echt waar! In veel wetenschappen wordt op deze manier gedacht en dat leidt tot overtuigingen, gedachten waaraan predicaten van waarheid worden gehecht en zo ontstaat een sterke transcendentale schijn die leidt tot dwaling en flinke ook; ‘Errare humanum est, perseverare autem diabolicum.’ Dit betekent: ‘Dwalen is menselijk, maar volharden [in dwaling] is duivels’. Dwalen is inderdaad menselijk. Ik ben in mijn studie aardig wat dwalingen tegengekomen.
Belangrijke punten uit deze essay
- Oordelen bestaan uit een subject (onderwerp) en een predicaat (gezegde).
- Analytische oordelen zijn oordelen waarvan het predicaat iets verklaart van het subject op zich.
- Synthetische oordelen zijn oordelen waarvan het predicaat iets toevoegt aan het subject op zich dat niets met het subject op zich te maken heeft.
- Weten a priori, het van tevoren weten, dus kennis die we zo kunnen oproepen.
- Transcendentale kennis is alle kennis die zich niet zozeer met objecten, maar met onze kennis van objecten bezighoudt.
- Aantallen zijn transcendentale begrippen.
- Niet onze waarnemingen zelf, maar onze interpretatie van de waarnemingen kunnen leiden tot dwaling.
- Waarheid is transcendentaal en is daardoor altijd een predicaat van een synthetisch oordeel.
Ik heb de theorie van de oerknal aangeroerd waarin alles, inclusief tijd en ruimte, ontstaan zou moeten zijn op een moment in de tijd dat het ‘begrip’ tijd zelf is ontstaan. Deze theorie gaat uit van ‘de wet van de verbinding van oorzaak en gevolg’, met een ander woord: ‘causaliteit’, een belangrijk begrip dat een grote rol speelt in ons bestaan en daar gaat de volgende essay over.
Wordt vervolgd.











